vrijdag 15 december 2017

Het “Cogito ergo sum” van René Descartes

Ik zat wat te googelen op het begrip 'solipsisme' en kwam daar wat uitspraken van Descartes tegen, die volgens een scribent bewees dat Descartes gelijk had dat het denken de voorwaarde was voor ons eigen bestaan. Of er anderen zijn dat kunnen wij nooit bewijzen. Maar ook in dit artikel zag men een veel belangrijker inzicht over het hoofd. En daar wil ik het deze keer over hebben. Lezers van mijn voormalige Chakraplein zullen het wellicht herkennen.

Een citaat van Descartes:

"Ik had allang beseft dat men, bij het handelen, zich vaak moet houden aan meningen waarvan men weet dat ze onzeker zijn, hoewel men moet doen alsof ze ontwijfelbaar zijn, ( ….…) ;
maar omdat ik mij uitsluitend wilde wijden aan het zoeken van de waarheid, meende ik nu juist het tegenovergestelde te moeten doen en al datgene, waarin ik mij iets twijfelachtigs kon voorstellen als volstrekt onwaar te moeten verwerpen, teneinde na te gaan of daarna nog iets zou overblijven, waarvan ik mocht geloven dat het absoluut onbetwijfelbaar zou zijn.
Zo besloot ik, omdat onze zintuigen ons soms bedriegen, te veronderstellen dat niets is zoals het ons door de zintuigen wordt voorgespiegeld. En omdat sommigen zich vergissen bij het redeneren, zelfs als het gaat om de meest eenvoudige meetkundige problemen, en fouten maken, en ik meende dat ook ik mij kon vergissen, verwierp ik - als onwaar - alle redeneringen die ik daarvòòr als geldige bewijzen had beschouwd. En tenslotte, overwegend dat alle gedachten, die wij hebben als wij wakker zijn, ons op dezelfde wijze ook kunnen overkomen wanneer wij slapen, zonder dat er dan één bij is die waar kan zijn, nam ik het besluit, te doen alsof alles waarvan ik mij ooit bewust was geweest, niet meer waarheid bevatte dan wat ik op bedriegelijke wijze droom.
Maar onmiddellijk daarop besefte ik dat, terwijl ik aldus wilde menen dat alles onwaar is, het noodzakelijk was dat ik die dat dacht, iets was.
En beseffend dat deze waarheid : Ik denk, dus ik ben  zo sterk en zo zeker was dat zelfs de meest buitensporige veronderstellingen van de sceptici niet bij machte waren haar aan te tasten, meende ik dat ik haar zonder enig bezwaar kon beschouwen als het eerste uitgangspunt van de filosofie dat ik zocht."
René  Descartes,  Discours de la méthode
Bron:http://home.hetnet.nl/~herakleitos/Kennistheorie/Descartes.htm
Ja, en zo is het dus niet. Descartes vergat naar de bron van het denken te kijken. Wij zijn niet de denker. Op deze blog ga ik daar een aantal keren diep op in. Wij zijn niet de denker, want wie is het die deze conclusie trekt? De denker? Ik neem mijzelf waar, de denker neemt de denker waar.......het subject dat het object waarneemt zou dus gelijk zijn aan het object. Dat kan dus niet. De denker, het denken kan niet aan zichzelf ontstijgen om zichzelf waar te nemen. Het denken denkt, en het kan niet zien, voelen of horen. 

Het denken is een functie (van woorden, zinnen), waarmee wij ons innerlijk en uiterlijk leven, dat wij kennen door onze zintuigen,  kunnen organiseren. We benoemen objecten en gebeurtenissen. Zo ontstaan woorden met een min of meer erkende betekenis (vaak ook niet...). Die woorden vormen de taal, waarmee wij kunnen communiceren, tenzij de ander andere woorden voor onze objecten gebruiken....De ander spreekt dan een ander taal. Dan moeten wij ons redden met handen en voeten en door steeds harder te gaan praten.... Wat zinloos is. Wij staan met een mond vol tanden.

Het denken is dankzij die woorden de organisator van ons geheugen. Het denken denkt als functie de toekomst te kunnen voorzien. Maar dat is allemaal niet zo. Het denken kan alleen werken met reeds gekende woorden en gekende betekenissen. Met het totaal nieuwe, het totaal onbekende, weet het geen raad. 

Het denken is niet de laatste, de primaire instantie in ons, van ons. Het denken kunnen wij niet gelijkstellen aan ons 'zijn', ons leven.

Besef wat dit in houdt. Wij zijn niet het denken, wij zijn niet de persoon. Wij zijn datgene wat het denken kan waarnemen. En de waarnemer kan nooit gelijk zijn aan dat wat het waar neemt*). Wanneer het denken stopt is er altijd een blijvende aanwezigheid die dat waar neemt. Ergo, wij blijven bestaan, ook zonder denken.

Wij zijn de waarnemer van het denken, van het gegoochel met woorden, van 'onze' emoties en beelden. Alles wat wij zien komt en gaat. Alleen de waarnemer of liever; het waarnemen blijft altijd -verborgen- aanwezig.

Verborgen omdat wij de waarnemer in onszelf (en bij de ander) niet kunnen zien, voelen of ervaren. Wij zijn het waarnemen zelf. Wij zijn niet het gedoe van de wereld, van de processen van opkomst en ondergang. Wij zijn niet het geboren worden en sterven. Wij staan 'daarbuiten' en kijken toe. Hoewel 'daarbuiten'.... Wanneer je de ommekeer (de be-kering) hebt gemaakt, al is het maar even geweest, dan weet je dat alle gebeuren van de wereld in jou plaatsvindt. In Jou, niet in jouw persoon, niet in Jantje of Marietje, maar in jou als de immer Aanwezige, als de immer Onvindbare. 

Kijk maar eens nu -op dit ogenblik dat je dit leest- aandachtig naar het beeldscherm, bekijk het apparaat zelf, en dan wat er op staat, deze woorden, de kleuren, de afbeeldingen en richt dan in één keer je aandacht op datgene dat naar het beeldscherm kijkt. Jij....ik.... En ervaar hoe het beeld ineens verschuift. Ervaar wat het met je doet.... Ervaar hoe het gevoel van het waarnemen verandert. Zie hoe het beeld ook verandert. 

Want jij bent ruimte, openheid, geen vast punt in de ruimte, aanwezig, doch ongrijpbaar.....

Je bent het mysterie zelf!
 
*) Uiteindelijk zal blijken dat er geen onafhankelijke waarnemer en het (los daar van) waargenomene zijn. Er is alleen waarnemen, zien, zijn. Alles is Een. Niets iets, dat een ander iets ziet. Het 'iets' wat geacht wordt te zien, blijkt onvindbaar. Achter het zoeken, achter het zien is niets. Het zien kan niet in zichzelf zien. Dat wat gezien wordt kan slechts bestaan bij gratie van zien. 
Zonder zien is er voorts geen weten van bestaan van het geziene. Zien en iets zien treden tegelijk op.   
Aangezien er ook niemand is die ziet, is er alleen Zien.