donderdag 19 maart 2015

Droom of werkelijkheid (updates & correcties met underscore aangegeven)



N.a.v. de uitwisseling met Wim Hein zat ik -niet voor de eerste keer- te bedenken dat dit soort discussies tussen mensen die heel lang met advaita bezig zijn betrekkelijk zinloos zijn. Wat ik hier schrijf is het resultaat van decennia lezen, contempleren, mediteren en het voeren van diepgaande gesprekken en het werken met mensen. En langdurig ziek te zijn geweest.  Het is een verslag van mijn inzichten en ervaringen. Buiten mijzelf kan ik domweg geen ervaringen hebben.
En wanneer een ander denkt dat ik het helemaal mis heb is dat zijn of haar zaak. Voor een buitenstaander of prille zoeker zal het toch wel koddig aan doen wanneer iemand mij voorhoudt dat ik niemand kan helpen omdat niemand bestaat. Dan voeg ik er maar aan toe: Dus ook degene die mij daarop wijst.
Nu ik zie elke ochtend bij het poetsen der tanden hetzelfde (verouderende) hoofd. Al is het dan een beeld, het verdwijnt al jaren niet. De wereld in en om mij heen gaat gewoon verder. Maar toch staan in andere stukjes exact dezelfde inzichten waar Wim Hein op duidt. Je bent die persoon niet, maar het zien (bij hem Zijn) zelf. Je kan niets wegdenken of doen-alsof het allemaal niet echt is. Maar goed, zit ik alweer in de tegenargumenten.

Ik ga de komende periode dieper in op dit soort onoplosbare dilemma's.  


Is de wereld een droom?

Leraren als WeiWuWei, Ramesh Balsekar, Robert Adams, Sailor Bob, Mooji e.a. zeggen allemaal dat ons leven in 'onze' wereld een droom is. Wanneer dat zo is, moet je dan en hoe uit die droom ontwaken?

Een paar nachten geleden ontwaakte ik vroeg in de ochtend uit een uiterst heldere droom en kwam onmiddellijk met gelijk bewustzijn in een andere -even heldere- droom, maar nu 'wakker' liggend in mijn bed. Een verschil tussen de intensiteit en de waarheidsbeleving van de dromen was er niet, behoudens dat in de laatste droom (die nu al schrijvend en tikkend door gaat) er een geheugen is dat zegt dat deze droom 'overdag' in werkelijkheid een voortzetting is van de gelijkaardige droom van gisteren en de dromen van de dagen daar vóór en dat deze droom dus de echte werkelijkheid van mijn leven is. De nachtdromen zijn bedrog. Althans zeggen de gedachten. 

Maar is dat echt zo?

Zhuang Zhou (een beroemd dichter) droomde eens dat hij een vlinder was, een fladderende vlinder die, volkomen in z'n sas, niet wist dat ie Zhou was. Toen hij plotseling ontwaakte, was hij in levende lijve Zhou. Nu weet ik niet of Zhou droomde dat hij een vlinder was of dat de vlinder droomde dat ie Zhou was. Toch moet er tussen Zhou en de vlinder een onderscheid bestaan. Dit is wat de "transformatie der dingen" genoemd wordt. ( Uit: http://nl.wikipedia.org/wiki/Zhuangzi )

Het was als de droom die C.G. Jung ooit beschreef, toen hij een soort UFO (in de vorm van een camera obscura) zag en hij niet met zekerheid kon zeggen of hij nu de UFO projecteerde of de UFO hèm
»Ich erblickte mein Haus, über dem zwei linsenförmige metallisch schimmernde Scheiben in einem engen Bogen schwirrten … zwei Ufos. Dann kam ein anderes Objekt … durch die Luft geflogen: eine Linse mit einem metallischen Anbau, der zu einem Kasten führte – eine Laterna magica [ein Filmprojektor]. Es stand in einer Entfernung von fünfzig bis sechzig Metern ruhig in der Luft und zeigte direkt auf mich. Ich erwachte mit einem Gefühl des Erstaunens … der Gedanke ging durch meinen Kopf: »Wir denken immer, dass Ufos unsere Projektionen sind. Nun stellt sich heraus, dass wir ihre Projektionen sind. Ich wurde von der Laterna magica als C. G. Jung projiziert. Aber wer bedient den Apparat?« (C.G.Jung, Memories, Dreams, Reflections, 1963)..

Op dat zelfde snijvlak van droom en werkelijkheid verkeerde ik dus bij het wakker worden. De rijke inhoud van een droom en de vergelijkbare rijkheid van het zogenaamd echte leven doet de vraag rijzen wat nu 'echt' is. En waar zit 'ik' dan werkelijk?

Hoe kom 'ik' daar achter?

Het onderzoeken van de droom houdt je in de ruimte van de waargenomen verschijnselen, die in beide dromen als volkomen echt worden ervaren. Het is het denken dat - achteraf -uitsluitsel geeft in woorden, maar het denken is zelf ook slechts een verschijnsel in onze belevingswereld. En waar staan de gebruikte woorden voor, wetend dat woorden nooit het beschreven verschijnsel zelf zijn? 

De sleutel moet dus ('derhalve' is te deftig volgens de spellingscontrole) wel liggen bij de waarnemer, het 'ik' of de getuige van wat gedroomd wordt en de kenner van wat er middels gedachten verklaard wordt in woorden.

Wanneer wij dus de aandacht op de ervaarder, de kenner van de droom, richten, vinden wij naast beelden of gevoelens van een lichaam en een stroom van gedachten, alle dus verschijnselen die ergens vandaan gezien of ervaren worden, helemaal niets. 

Er is onontkenbaar bewustzijn, d.i. weten van er zijn, maar dat bewustzijn is niet als verschijnsel door een zoeker te isoleren. Je ervaart het 'Ik ben' werkelijk als een bewuste lege ruimte, dat geen grenzen kent, geen centrum heeft, onpersoonlijk en tijdloos is. Er bestaat daarin geen geboren worden of sterven. Maar zelfs dit 'wonderbaarlijke' heeft nog (her)kenbare eigenschappen, die gezien worden door een onvindbaar 'mij.'

Je bestaat onomstotelijk nog steeds als dat laatste onzichtbare zien. Je bent dit. Je kan er geen waarnemer van zijn.  De zoeker is de dromer zelf. Maar de zoeker kan zichzelf nooit vinden, hij kan geen object zijn van zijn eigen zien (of Zijn). Je kan als dat grenzeloze bewustzijn nooit uit dat-wat-je-bent treden om jezelf waar te nemen. 

Maar dat kan soms wèl doorzien worden, in bijvoorbeeld een droom:

In 1944 had Jung een droom (die hij later in verband brengt met zijn droom over een Ufo). Over zijn droom schrijft hij: -...In die droom maakte ik een voettocht, Ik liep over een smalle weg door een heuvelachtig landschap, de zon scheen en ik had naar alle kanten een weids uitzicht. Toen kwam ik bij een kleine weg kapel. De deur stond op een kier en ik ging naar binnen. Tot mijn verbazing stond op het altaar geen beeld van de Moeder Gods of een crucifix; er stond slechts een schitterend bloemstuk, Maar daar zag ik op de grond voor het altaar een yogi zitten, met het gezicht naar mij toe. Hij zat in een lotushouding, diep in zichzelf verzonken. Toen ik hem van dichtbij bekeek zag ik dat hij mijn gezicht had. Ik schrok hevig en ontwaakte door de gedachte: Ach zo, dat is degene die mij mediteert. Hij heeft een droom, en dat ben ik. Ik wist: als hij ontwaakt, zal ik er niet meer zijn'

Volgens Jung is in deze droom het zelf in gedachten verzonken en mediteert de persoon die wij op aarde zijn. Die gemediteerde persoon is de aardse Jung die rondloopt en zijn leven leidt. Hij is als het ware door zijn zelf in de aardse werkelijkheid geprojecteerd, doet daar ervaringen op die uiteindelijk bijdragen aan de verwerkelijking van het zelf.


In advaita wordt er van uit gegaan dat er geen persoonlijk zelf is. Er is maar één Zelf, dat in alles zichzelf is en geen observator van zichzelf kan zijn. Alles wat ervaarbaar is kan nooit los staan van zijn eigen oorzaak. Alles is dus de Oorzaak zelf.

Ja, alleen vanuit de positie van dit onkenbare 'Ik' (het Zelf) kan de aard van de droom doorzien worden. En aangezien dit onkenbare 'Ik' de voorwaarde van alle ervaringen is, kan het dus nooit door de geobserveerde persoon 'gebruikt' worden als een hulpmiddel bij de zozeer gewenste realisatie. Het conceptloze en onvindbare 'er-zijn' is uiteindelijk de realisatie zelf!

Zoeken is (lijkt?) dus zinloos, want er bestaat in feite niemand die kan zoeken. In wezen moet het kwartje vanzelf vallen vanuit het onbekende, dat klaarblijkelijk wenst dat er gevonden of doorzien wordt.

En toch gaat de ervaring van de wereld van de schrijver hier gewoon door.....en wanneer er 'echte' lezers zijn gaat hun wereld ongetwijfeld bij hen ook door!

Hoe kan je in dit mysteriespel het gevondene (wat je dus in essentie zelf bent) overdragen aan een ander?

De uitleg is helaas afhankelijk van begrippen, allereerst van het idee van ruimte en tijd: anders is er geen medium waarin de te beschrijven gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. 
Vervolgens moeten de begrippen 'verstaan' kunnen worden door de veronderstelde 'degenen' die je wilt bereiken. Maar dat 'verstaan' kan pas echt plaats vinden, wanneer de over te dragen ervaringen ook daadwerkelijk gedeeld kunnen worden.

Maar hoe kan je zeker weten dat er een dergelijk wederzijds begrip bestaat in een situatie waar de feitelijke overdracht illusoir is, omdat er wezenlijk geen 'ander' bestaat? 

Je kan elkaar alleen maar ontmoeten in dat wat gedeeld wordt.... en daar in lost het apart of verschillend zijn op. 

Ofwel dat wat wordt overgedragen is de realisatie is dat de realisatie geen ervaring is. Er is geen 'iets' dat 'Niets' als een bestaand en/of verklarend 'iets' kan vinden. Je vindt jezelf.

Het jagen op ultieme ervaringen is dus misleidend, er zal herkend moeten worden dat je zelf het ondeelbare tijd & ruimteloze bent. Daarbuiten & daar binnen (er bestaat helemaal geen buiten en binnen) kan geen ander bestaan. Er is alleen onpersoonlijk Zien (ervaren).

De Realisatie is dat het echte 'Ik' onvindbaar is, dus dat de bewuste tegenwoordigheid (die dus niet-iets is) on-ontkenbaar is en dus onkenbaar blijft. Er is weten dat je dat bent, maar niet wat je bent.

Ofwel, er zijn geen woorden nodig om hier van overtuigd te zijn, in het weten dat er geen getuige van kan zijn. Het is het oplossen van alle tegenstellingen, alle vormen, van subject en object.

En daarin verschijnt geen 'ik' dat een ander van deze waarheid wil en kan overtuigen. Er kan niets meer gedaan worden door een iemand.

Zelfs de illusie van de droom is derhalve verdwenen, al blijft die droom voortgaan. Er is niemand (geen iemand) die daar wat aan doen kan, want alles is jezelf.

Rob

donderdag 12 maart 2015

Voorbij begrippen (met nieuwe vraag en nieuw antwoord)

Wat is a-dwaita?
Niet-twee

Wat is Een?

Wie ben je?
Wie ben ik?
Wat is verlichting?
Wat is het definitieve antwoord?

Laat alle begrippen vallen
Realisatie vindt buiten elke begripsvorming
Geen enkel begrip, geen enkel concept kan worden aanvaard
Alles, maar dan ook alles wordt geschrapt.

Wat blijft over in die paar seconden dat het je lukt??? 

Geen ik
Geen ander
Geen wil
Geen wil niet

Geen ruimte
Geen tijd
Geen hier,
Geen daar
Geen geen
Geen ja
Geen nee
Geen wil
Geen geen wil
Geen geen
Geen alles
Geen niets
Geen niet iets
Geen ontkenning
Geen aanvaarding

Zet een video van Mooji aan en doe het geluid uit
En doe dan het beeld uit.
Zet een mp3-tje van Tolle aan en zet het geluid uit

Wat blijft er over?

En verwerp ook deze vraag.
Verwerp elk nog ronddwalend concept
Verwerp elke vraag
Geen enkele betekenisvolle klank kan een vraag zijn
Verwerp elk nieuw antwoord
Geen enkele betekenisvolle klank kan het antwoord zijn.

Alles wordt stil. 

Wat kan er anders zijn dan wat er onmiddellijk is
Zonder ook de woorden die deze vraag samenstelt?

Zonder ook maar enig idee van wie dit vraagt?
Zonder ook maar één idee van het antwoord.

Wat kan dan anders zijn dan de onmiddellijke en onontkenbare beleving van wat er is?

Wie/wat kan zich nu nog afscheiden van een ander?  




Nawoord

M.n. Mooji roept steeds de vraag op of je tevreden kan zijn bij het herkennen van de stilte, het gewaar zijn van die oneindige ruimte die je aan het eind van jouw zoektocht zult vinden. Immers er is nog steeds een herkennen van een 'toestand' die je zou moeten zijn. Iemand zei tegen hem dat hij thuis was gekomen. "Dan woont er nog steeds iemand in dat huis" antwoordde Mooji gevat. En zo is het. Nog steeds zoekt men dan een laatste 'iets' dat een bewijs is voor het vinden van dat-wat-zoekt.

Maar dan is er nog steeds sprake van een subject en een object. Nog steeds iets wat ziet en iets wat gezien wordt. Nog steeds iets wat ziet en iets dat gezocht wordt.

Jouw wezen is de afwezigheid van wat dan ook. Zoals een bezoekster van Mooji zei: "Geen treden, geen platform, geen chauffeur.." Zolang je kijkt naar een iets, blijf je in dualiteit. Tolle zegt dat dit komt door hoe taal in elkaar steekt. Dan is er steeds een onderwerp en een lijdend voorwerp.

De enige hulp is dus het radicaal laten vallen van alle concepten. Geen zoeken, geen binnen, geen buiten, geen ik-die-ziet en geen dat-wat-gezien-wordt. Dan pas vallen tijd en ruimte weg (als begrippen en als veronderstelde werkelijkheid). Dan is er geen zoeker meer.

Alleen maar ontraceerbaar, conceptloos Dit. Tegenwoordigheid. Weten-van-er-zijn.   


Zie reacties met nieuwe vraag en nieuw antwoord