zaterdag 20 december 2014

Wie ben ik?

illustratie r. ek

Wat mij betreft zijn voor mij de volgende zinnen de laatste zinnen die nog enige zin hebben en al de boeken in mijn kast over het zoeken kunnen vervangen.

Ik kan alleen maar datgene kennen, wat verschilt van mijzelf

Ik ben dus nooit in essentie datgene wat ik waarneem (voor 'waar' aanneem). Ik ben dus nooit mijn lichaam, mijn gedachten, mijn emoties, mijn herinneringen, mijn plannen, mijn angsten en mijn verlangens.

Ik ben de onveranderlijke waarnemende tegenwoordigheid, welke nooit een deel kan zijn van de wereld waarin ik (als het denken) denk te leven. Ik zal de beleving van tijd kunnen hebben omdat (mijn werkelijke) ik zelf tijdloos ben. Ik kan veranderingen waarnemen omdat ik zelf onveranderlijk ben.

Ik kan mijzelf nooit kennen omdat ik het kennen zelf ben

Kennen, waarnemen, zien  -of je het ook noemen wilt - is geen kenbaar object. Het kennen is het Enige wat onverdeeld is. Non-dualiteit dus. Een en niet-twee. EEN zijn zonder tegenstellingen. Een Zijn waar geen waarnemer kan zijn van zichzelf. Geen 'ik' als vorm en geen ander(en). Geen begin van mij en geen einde van mij. Geen hoedanigheden en geen gemis van wat dan ook. Tijdloos en zonder Ruimte. Conceptloos.  

Alles wat de zoeker zichzelf toekent als gevolg van de zoektocht is dus de illusie van verandering in tijd.

Alle fenomenen (ervaringen, verhalen) die de zogenaamde 'verlichten' als bewijs van hun realisatie aandragen, zijn evenzeer illusie als de illusie van het lijden of de inspiratie die tot het zoeken heeft geleid. Pas wanneer (in)gezien is dat tijd niet werkelijk bestaat, er dus geen verleden en toekomst is, het altijd Dit Moment is en er derhalve geen oorzaak en gevolgrelaties bestaan, dan is er helemaal geen basis meer voor het zoeken.  De zoeker is daarmee gelijk verdwenen en er rest een onvatbaar dimensieloos tegenwoordig zijn, dat tegelijk -geen vorm zijnde- in de wereld afwezig is.

En daarmee zijn we weer bij de eerste cursieve zin aan het begin van dit stukje beland.


Rob