maandag 25 maart 2013

Bewustzijn van bewustzijn.

Hoe dieper je graaft hoe vaker je aan loopt tegen de beperkingen van taal. Taal staat het uiteindelijke inzicht in de weg.

Taal is noodzakelijk om over zaken/vormen te kunnen communiceren, maar taal bestaat uit woorden, uit concepten en concepten zijn ook - observeerbare- vormen. Kortom aan een gepercipieerde vorm wordt ter identificatie -verklaring -communicatie een leesbare/verbale vorm toegevoegd, waarbij de toevoeging nooit de beschreven vorm zelf is. Zo kan taal jou de onmiddellijke ervaring van wie je bent ontnemen. Wanneer ik het wil hebben over het vormloze zal het duidelijk zijn dat naamgeving en verklaring via concepten al helemaal niet het beschrevene als feit kunnen benaderen.

Sri Nisargadatta adviseerde dan ook geen kennis te vergaren via concepten, maar rechtstreeks de aandacht te richten op datgene wat zich bewust is van er-te-zijn. Wie ziet dit, wie hoort dit, wie weet zonder ook maar enig bewijs in vorm nodig te hebben dat hij/zij bestaat?

Het ter zake door Maharaj in het Marathi meest gebruikte begrip werd door zijn vertaler Ramesh Balsekar in zijn boek "Pointers" in het Engels vertaald als apperception. Daarmee werd een bewust (maar niet gefocust) waarnemen bedoeld. Je bent je bewust er van dat je waarneemt. Of liever: er is bewustzijn van bewustzijn. Het lijkt dus een tweezijdig bewust zijn. 'Je' richt je op een waarnemen terwijl je bewust ben van de waarnemer of het waarnemen zelf. Zo verbind (in engels: merge) je de waarnemer, het waarnemen en het waargenomene in één waarnemen. Rupert Spira noemt dat ongericht waarnemen.

Zowel de waarnemer als het waargenomene worden doorzien als louter verschijningen. In het Nederlands wordt apperceive vertaald als schouwen, observeren of zuiver zien. Het is een zuiver observeren zonder te leunen op reeds opgedane kennis in/van woorden. Het is de bedoeling dat niet het ego, de persoon of het denken actief betrokken zijn bij het schouwen, maar dat vanuit de stilte van onpersoonlijk tegenwoordig zijn aandacht zich richt op waar de aandacht vandaan komt.

'De waarnemer' - als doelgerichte aanzetter tot dit zien - wordt middels het zien van zien hierbij als actief betrokken object overgeslagen en lost al ziende op als zijnde een denkmatige en overbodige toevoeging van dit zien. Er is niemand die ziet, er is alleen zien. Elke toevoeging vanuit de waarnemer wordt onmiddellijk gezien als een serie tijdelijke objecten. De waarnemer zelf blijkt louter een concept.

En het 'zien' zal zelf in het schouwen ook doorzien worden als louter een concept. Maar wat dat kan zien of liever: zien zelf, kan nooit een concept zijn!

Via keuzeloos zien van zien stuit je op een niet te doorgronden leegte. Je bent voorbij de woorden maar nog onontkenbaar bewust. En er is geen onderscheid meer tussen bewust er zijn en die leegte.

De concepten zijn weggevallen en er is alleen maar ...................................

.